De vuursalamander

De vuursalamander is de enige inheemse landsalamander die in België voorkomt. Het is een grote, stevig gebouwde soort die een totale lichaamslengte van ruim 20 cm kan hebben.

Vuursalamanders hebben een glanzende zwarte grond- kleur met een kenmerkende helgele tekening. Deze tekening kan sterk variëren, van kleine tot zeer grote onregelmatige gele vlekken of strepen. De buik is meestal dof blauwgrijs en is veel minder sterk getekend. Op de kop, net achter de ogen, liggen twee uitpuilende oogklieren en twee opvallende rijen gifklieren lopen aan beide zijden van de ‘ruggengraat’ door tot op de staart. Deze gifklieren kunnen stoffen afscheiden en worden gebruikt als verdedigingsmiddel tegen predatoren (= roofdieren). In tegenstelling tot de inheemse watersalamanders, kan bij de vuursalamander maar moeilijk een onderscheid gemaakt worden tussen mannetjes en vrouwtjes.

 

De ideale leefomgeving voor de vuursalamander is schaduw door bomen, vochtigheid en een dik bladertapijt op de bodem. Hij heeft voorkeur voor loofbomen met veel loof die ’s zomers groen zijn. Zelden houden vuursalamanders zich in water op, maar voor de voortplanting hebben ze plassen gevuld met regenwater of ondiepe poelen nodig. Het is voor de vuursalamander ongunstig dat er in Europa steeds meer loofhout gekapt wordt en dat er naaldhout voor in de plaats komt. Het verlies aan leefomgeving vormt een steeds grotere bedreiging voor zijn voortbestaan.
De vuursalamander behoort tot de amfibieën en gaat meestal ’s nachts en speciaal na regenval op zoek naar voedsel. Hij beweegt zich door het gebladerte op de bodem op zoek naar langzame prooidieren: wormen, slakken, pissebedden, oorwormen en duizendpoten. Als hij een prooidier heeft ontdekt, volgt hij hem eerst even en pakt hem dan met zijn kaken. Grotere prooien worden heen en weer geschud en dan verslonden.

De meeste vuursalamanders brengen van vroeg in de winter tot aan het voorjaar hun tijd onder boomstammen of in rotsspleten in een verstarde toestand door. De paring vindt plaats van het voorjaar tot vroeg in de zomer. Het mannetje volgt het vrouwtje, stoot met zijn kop tegen haar aan en probeert op haar te klimmen. Eerst weert ze het mannetje af totdat hij zich tenslotte onder haar lichaam schuift en een klein pakketje zaad afgeeft. De eieren worden in haar lichaam bevrucht en ontwikkelen zich daar tot larven, meestal tot het eerstvolgende voorjaar. Uiteindelijk baart het vrouwtje de 25 tot 40 larven die dan een lengte hebben van 2,5 cm. De larven hebben een bruine kleur met zwarte vlekken. Ze hebben vier poten en drie paar grote kieuwen achter hun kop waarmee de jongen onder water kunnen ademhalen. Na drie maanden hebben de longen zich ontwikkeld en zijn de kieuwen verdwenen; ze verlaten het water om voortaan aan land te leven. 

Helaas vind je deze diertjes steeds minder terug in België. In West-Vlaanderen worden ze zelfs als uitgestorven beschouwd. Toch zijn ze nog niet allemaal uit België verdwenen; de Stekkers vonden op kamp enkele vuursalamanders. En regelmatig worden nog nieuwe vindplaatsen ontdekt in het zuidelijke deel van de Ardennen en net ten noorden van de lijn Samber-Maas.

Lore